zaterdag 30 januari 2010

Post-disciplinair onderzoek: de archeologische apocalyps...

Sandra's zin 'er zit vorst in de grond' leidde in mijn hoofd tot een slechte woordgrap van het kaliber Seth-Gaaikema-Wisselbokaal waardig - juist, en omdat die vorsten in de grond zitten, moeten wij, meisjes met scheppen (goed, ook de jongens) ze opgraven. Opgraven, uitwerken, publiceren, delen met de wereld.

Maar welke wereld is nu eigenlijk geïnteresseerd in wat wij uit de grond halen? Archeologie en publiek is een hip onderwerp, we hebben er op ons Instituut nu zelfs een heuse bijzonder hoogleraar voor aangesteld. Een week archeologiecongres aan de VU in Amsterdam doet echter vermoeden dat enig missiewerk nog verricht zal moeten worden eer meisjes met scheppen de plaats die ze verdienen kunnen innemen in de samenleving. Congres in kwestie, het eerste Landscape Archaeologie Conference van Europa, georganiseerd door het Instituut Geo- en Bioarcheologie (IGBA) van de Faculteit Aardwetenschappen van de VU (mogelijkerwijs hebben ze tegenwoordig een hippe Engelse naam met bij voorkeur de woorden 'Life' en 'Sciences' in hun naam, maar ik ben graag wat achterwaarts en ouderwets), maakte duidelijk dat het missiewerk zelfs niet beperkt gaat hoeven worden tot de buitenwereld: ook binnen de discipline is nog veel communicatie en overdracht te verbeteren.

Modewoorden van het huidige landschapsonderzoek zijn met afstand 'inter-discplinary' (of multi-disciplinary) en alles eindigend op -scape (soundscape, calorie-scape, manscape, etc.) Ik opteer voor 'escape' als favoriet. Want al die termen maken de communicatie niet makkelijker, eerder het tegenovergestelde. Interdisciplinariteit is een mythisch gegeven, gebruikt om fondsen te werven en aan te sluiten bij de hippe stroming in onderzoek. Wat doorgaat voor inter- of multi-disciplinair onderzoek is vaak niet meer dan een op de eindstreep uitgevoerde bundeling van verhalen van diverse disciplines, voorzien van voorwoord en samenvattende conclusie. Onderling wordt er gedurende de loop van het onderzoek niet of nauwelijks gecommuniceerd. Er zijn uitzonderingen, natuurlijk, maar bevestigen die per definitie van cliché niet sterker de regel?

Ik voeg me bij Graham Fairclough in het uitspreken van de wens voor een 'post-disciplinair' onderzoek. De scheidslijn tussen archeologie, geologie, geomorfologie, fysische geografie, paleobotanie en al die andere terminologisch afzonderlijke onderzoeksgebieden is vaag. Des te vager is het dat we zo slecht met elkaar kunnen praten. Is tunnelvisie voorbehouden aan ons aardwetenschappers? Mag ik mezelf überhaupt aardwetenschapper noemen? Mijn Instituut valt onder Letteren, het IGBA onder Aardwetenschappen. Maakt het ons andere archeologen? Ik denk het niet. Uiteindelijk willen we allemaal hetzelfde: ons onderzoek delen, erkend worden in onze ideeën en van anderen horen dat we gelegitimeerd bezig zijn. Het afgelopen LAC2010 was een stap in de goede richting, dat zeker. Niet in de laatste plaats omdat het duidelijk maakte waar de knelpunten zitten. Om met emeritus hoogleraar Bloemers te spreken: 'The biggest threat is in ourselves. Not in the younger generations, but in us, the old establishment, who are set in their ways. We are the biggest danger to changes needed in landscape archaeology.' Of iets in die trant.

Dat moeten wij, jonge onderzoekers, enthousiaste meisjes met scheppen, ter harte nemen en er ons voordeel mee doen. En de wil is er wel, dat hebben de lunch- en borrelgesprekken wel zeker duidelijk gemaakt. Maar met praten en het met elkaar eens zijn, komen we niet veel verder. Om die andere grote denker te parafraseren: we moeten de verandering zijn die we zouden willen zien. Ik begin vast met het weigeren van -scapes en het geloven in een post-disciplinaire onderzoekswereld waarin daadwerkelijk gecommuniceerd wordt in plaats van gebundeld bij de uitgever. Dat is geen apocalyps, zoals ik in mijn titel nog dacht. Dat is een utopie, voorlopig. Een utopie op weg naar de werkelijkheid.

(edit: in navolging van Sandra hier ook mijn GIA-link: http://www.rug.nl/let/onderzoek/onderzoekinstituten/gia/CurrentResearch/projectWoltinge?lang=en)

2 opmerkingen:

  1. Helemaal mee eens Inger! We vervallen in een soort babylonische deterministische woorden waanzin waarbij we steeds woorden voor onszelf en onze wetenschap bedenken en vervolgens denken dat wij die woorden zijn en niet meer met mensen kunnen praten die toevalllig een ander woord voor zichzelf en hun wetenschap hebben bedacht. In plaats van elkaar te vertellen wat we weten gaan we ons laten weerhouden tegen elkaar te praten omdat we een label aan ons weten hebben geplakt. En dan gaan we onszelf weer herlabelen om de hipheid te dienen en kunnen we met nog minder mensen praten (in fact Inger ben jij drs in de archeologie en ik Ma in art history and archaeology dus of wij nog wel kunnen praten is de vraag). Is het klimaat hip zijn wij ook klimaat onderzoekers, is het darwin jaar tuurlijk doen wij apies ook mee...Ik ben ook op reis geweest en om de bekende leus van de bekende club uit de stad te quoten waar ik was "geen woorden maar daden". Schep in de grond en met z'n allen bedenken wat we nou eigenlijk hebben gevonden! Ik ben voor! Nu nog een naam bedenken voor ons escapistische aardwetenschappelijke-post-geo-archeo-science types ;-) X Sandra

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Deels ben ik het met jullie eens (maar ik ben dan ook geen 'meisje met schep'...)
    Ik denk dat een post-disciplinaire onderzoekswereld vooral betekent luisteren naar elkaar en helder communiceren in taal die iedere onderzoeker begrijpt. Immers, zelfs binnen de archeologie bestaan dit soort eilandjes (specialisten, fysisch geografisch ingestelde archeologen..). Toch denk ik dat je dat ook niet zomaar kunt afdwingen of forceren, maar alleen maar kunt stimuleren door veel te praten, te communiceren en te discussiëren (en dat laatste gebeurt naar mijn idee veel te weinig in de Nederlandse archeologie).

    groeten,

    Jos

    BeantwoordenVerwijderen