donderdag 25 februari 2010

Schep in het hoenderhok

In Nederland hebben we sinds enkel jaren commerciële archeologie.
Nadat in 1992 in Valetta op Malta door de Europese ministers afspraken
waren gemaakt hoe de archeologie in Europa geregeld moest worden
besloot het toenmalige paarse kabinet tot de invoering van
marktwerking in deze wetenschap. Uitgangspunt is dat onze geschiedenis
belangrijk is en dat ons bodemarchief daarom beschermd moet worden.
Wil je dat archief vervuilen dan moet je betalen. Als er ergens
gebouwd gaat worden moet eerst worden vastgesteld of er archeologische
resten in de bodem zitten, zo ja dan moeten deze worden opgegraven en
onderzocht. Dat werk moet gebeuren door tegen elkaar concurrerende
bedrijven.

Terug in de tijd
De archeologie is een jonge wetenschap. Ooit ontstaan toen de rijke
bovenklasse interesse kreeg in het verzamelen van mooie oude spullen.
Het onderzoek naar de overblijfselen van voorbije culturen ontwikkelde
zich in de vorige eeuw van het verzamelen van schatten naar breed
onderzoek om een reconstructie te kunnen maken van voorbije
samenlevingen als geheel. De commerciële archeologie is een stap terug
in de tijd. Nou lijkt dat voor mensen die zo van het verleden houden
geen probleem, maar dat is het wel. Niet langer staat de
wetenschappelijke vraag centraal maar moet er winst worden gemaakt.
Daarmee zijn we terug bij de tijd dat goud interessanter was dan
kennis. De commerciële archeologie heeft daarmee vele principiële en
praktische bezwaren.

Zoeken naar iets dat je nooit kwijt was
De archeologie is op zoek naar dingen waarvan we nooit wisten dat we
ze kwijt waren. Dat is commercieel echter lastig te verkopen. De bodem
is geen HEMA waar producten inzitten waaraan een eenheidsprijskaartje
kan worden gehangen.
Een voorbeeld; de eerste boeren in Noord-Nederland waren van het
zogenoemde 'Trechterbekervolk'. We weten dat ze boeren waren, hun
doden begroeven in hunebedden en mooi versierd aardewerk hadden.
Huizen van deze mensen zijn echter nog niet veel gevonden.
Wetenschappelijk is het interessant te weten te komen hoe deze boeren
woonden. Ook zouden veel Nederlanders het leuk vinden. Commercieel is
het echter een onverkoopbaar plan.
Als archeologisch bedrijf kun je niet in en offerte zetten welk
wetenschappelijk uitermate interessant, maar duur onderzoek je wilt
doen want dan gaat een ander bedrijf met de opdracht aan de haal. Het
is dus zaak je offertes zo goedkoop mogelijk te houden. Mocht je dan
toevallig iets interessants vinden dan is er vaak geen geld meer voor
verder specialistisch onderzoek. De vondsten worden vervolgens her
begraven in de inmiddels uitpuilende archeologische depots.
Alle archeologische bedrijven willen hun hoofd boven water, of in dit
geval onder het maaiveld, houden. Informatie die archeologisch
interessant is maar die een ander bedrijf ook kan gebruiken om een
volgende opdracht binnen te halen geef je niet zomaar prijs.
Om deze principiële en praktische bezwaren het hoofd te bieden is er
met de invoering van de commercie in de archeologie ook een steeds
groter wordend controle apparaat gekomen om de kwaliteit te bewaken.
Hoewel er nog nooit zoveel geld omging in de archeologie als vandaag
de dag is niet voorkomen dat een race naar het putje is ontstaan in
plaats van hoogstaand wetenschappelijk onderzoek dat ook voor een
breed publiek toegankelijk is.
De kwaliteit van de archeologie lijdt hevig onder de druk van de
commercie.

Van schatgraven naar wetenschap
Om de wetenschap te redden moet de commercie zo snel mogelijk begraven
worden. Het vervuiler betaald principe moet echter worden behouden en
uitgebouwd. Iedereen die 'ontgrond' betaalt een vaste prijs per
kubieke meter. Dit geld wordt gebruikt voor regionale archeologische
instituten. Deze wetenschappelijke instellingen staan elkaar niet
langer commercieel naar het leven maar formuleren voor hun regio
interessante wetenschappelijke vragen. Hierdoor komt weer de
wetenschappelijke vraag centraal te staan in plaats van het geld dat
verdiend kan worden. De regionale instituten zouden zich naast
wetenschappelijk onderzoek ook bezig moeten houden met het presenteren
van archeologie aan een breed publiek.

zaterdag 30 januari 2010

Post-disciplinair onderzoek: de archeologische apocalyps...

Sandra's zin 'er zit vorst in de grond' leidde in mijn hoofd tot een slechte woordgrap van het kaliber Seth-Gaaikema-Wisselbokaal waardig - juist, en omdat die vorsten in de grond zitten, moeten wij, meisjes met scheppen (goed, ook de jongens) ze opgraven. Opgraven, uitwerken, publiceren, delen met de wereld.

Maar welke wereld is nu eigenlijk geïnteresseerd in wat wij uit de grond halen? Archeologie en publiek is een hip onderwerp, we hebben er op ons Instituut nu zelfs een heuse bijzonder hoogleraar voor aangesteld. Een week archeologiecongres aan de VU in Amsterdam doet echter vermoeden dat enig missiewerk nog verricht zal moeten worden eer meisjes met scheppen de plaats die ze verdienen kunnen innemen in de samenleving. Congres in kwestie, het eerste Landscape Archaeologie Conference van Europa, georganiseerd door het Instituut Geo- en Bioarcheologie (IGBA) van de Faculteit Aardwetenschappen van de VU (mogelijkerwijs hebben ze tegenwoordig een hippe Engelse naam met bij voorkeur de woorden 'Life' en 'Sciences' in hun naam, maar ik ben graag wat achterwaarts en ouderwets), maakte duidelijk dat het missiewerk zelfs niet beperkt gaat hoeven worden tot de buitenwereld: ook binnen de discipline is nog veel communicatie en overdracht te verbeteren.

Modewoorden van het huidige landschapsonderzoek zijn met afstand 'inter-discplinary' (of multi-disciplinary) en alles eindigend op -scape (soundscape, calorie-scape, manscape, etc.) Ik opteer voor 'escape' als favoriet. Want al die termen maken de communicatie niet makkelijker, eerder het tegenovergestelde. Interdisciplinariteit is een mythisch gegeven, gebruikt om fondsen te werven en aan te sluiten bij de hippe stroming in onderzoek. Wat doorgaat voor inter- of multi-disciplinair onderzoek is vaak niet meer dan een op de eindstreep uitgevoerde bundeling van verhalen van diverse disciplines, voorzien van voorwoord en samenvattende conclusie. Onderling wordt er gedurende de loop van het onderzoek niet of nauwelijks gecommuniceerd. Er zijn uitzonderingen, natuurlijk, maar bevestigen die per definitie van cliché niet sterker de regel?

Ik voeg me bij Graham Fairclough in het uitspreken van de wens voor een 'post-disciplinair' onderzoek. De scheidslijn tussen archeologie, geologie, geomorfologie, fysische geografie, paleobotanie en al die andere terminologisch afzonderlijke onderzoeksgebieden is vaag. Des te vager is het dat we zo slecht met elkaar kunnen praten. Is tunnelvisie voorbehouden aan ons aardwetenschappers? Mag ik mezelf überhaupt aardwetenschapper noemen? Mijn Instituut valt onder Letteren, het IGBA onder Aardwetenschappen. Maakt het ons andere archeologen? Ik denk het niet. Uiteindelijk willen we allemaal hetzelfde: ons onderzoek delen, erkend worden in onze ideeën en van anderen horen dat we gelegitimeerd bezig zijn. Het afgelopen LAC2010 was een stap in de goede richting, dat zeker. Niet in de laatste plaats omdat het duidelijk maakte waar de knelpunten zitten. Om met emeritus hoogleraar Bloemers te spreken: 'The biggest threat is in ourselves. Not in the younger generations, but in us, the old establishment, who are set in their ways. We are the biggest danger to changes needed in landscape archaeology.' Of iets in die trant.

Dat moeten wij, jonge onderzoekers, enthousiaste meisjes met scheppen, ter harte nemen en er ons voordeel mee doen. En de wil is er wel, dat hebben de lunch- en borrelgesprekken wel zeker duidelijk gemaakt. Maar met praten en het met elkaar eens zijn, komen we niet veel verder. Om die andere grote denker te parafraseren: we moeten de verandering zijn die we zouden willen zien. Ik begin vast met het weigeren van -scapes en het geloven in een post-disciplinaire onderzoekswereld waarin daadwerkelijk gecommuniceerd wordt in plaats van gebundeld bij de uitgever. Dat is geen apocalyps, zoals ik in mijn titel nog dacht. Dat is een utopie, voorlopig. Een utopie op weg naar de werkelijkheid.

(edit: in navolging van Sandra hier ook mijn GIA-link: http://www.rug.nl/let/onderzoek/onderzoekinstituten/gia/CurrentResearch/projectWoltinge?lang=en)

woensdag 27 januari 2010

The X factor

Bijna een week nadat we dit weblog zijn begonnen is de enige reactie tot nu toe ontvangen “maar de vorst zit toch in de grond” met andere woorden er valt weinig te scheppen. Nou klopt dat eigenlijk ook wel. Niet omdat de vorst in de grond zit, vele archeologie meisjes en jongens met scheppen hebben deze weken proefondervindelijk ondervonden dat er wel degelijk geschept moet worden. Deze meisjes met scheppen scheppen eerlijk gezegd maar een heel klein deel van de tijd.

Want en dan ga ik maar weer eens een wijs man citeren (ja dat is omdat ik zelf weinig te zeggen heb of zoals ik mezelf wijs maak omdat ik nog een heel proefschrift moet schrijven en dus op een weblog best wel mag wat in HET BOEK ook bekend als zwaard van damocles niet mag; een beetje vals spelen)

“Archaeology is the search for fact. Not truth. If it's truth you're interested in, Doctor Tyree's Philosophy class is right down the hall. So forget any ideas you've got about lost cities, exotic travel, and digging up the world. We do not follow maps to buried treasure, and 'X' never, ever marks the spot. Seventy percent of all archaeology is done in the library. Research. Reading.”

En hoewel Indy (voor intimi, Indiana Jones voor anderen) daarna precies het tegenovergestelde doet en stoer op zijn paard weg draaft (of galoppeert of hoe dat ook maar moge gaan) om mooie avonturen te gaan beleven met archeologica en vrouwen, geldt de X-regel en de 70%-regel voor ons meisjes met scheppen wel.

En hoewel ik wel in ben voor enige mystiek en je dus voor waarheid maar ergens ‘down the hall’ moet zijn is enige informatie over wat we tussen het scheppen en Mahjongen door doen misschien wel op zijn plaats. In mijn geval is dat dus een proefschrift schrijven over: ‘Ceramic analysis of Late Neolithic settlements in the province of Noord-Holland (The Netherlands) and interregional comparison’ als onderdeel van het project ‘Unlocking Noord-Holland’s late Neolithic Treasure Chest’.

Om het citaten trucje Ctrl C en Ctrl V nog maar niet al teveel uit te buiten hier voor de verandering een link naar een pagina met meer informatie over het project waaraan ik werk: http://www.onderzoekinformatie.nl/en/oi/nod/onderzoek/OND1335196/ Met een heel team bestaande uit nog twee andere promovendi en een heleboel fantastische wetenschappers proberen we meer te weten te komen over de mensen die tijdens het laat-Neolithicum in Noord-Holland woonden en behoorde tot de door ons archeologen zo genoemde “Enkelgrafcultuur”. Mijn taak binnen dit project is het aardewerk analyseren. Door te bekijken welke potten mensen hadden probeer ik meer te weten te komen over onder andere wat mensen aten, hoe ze leefden en welke sociale verhoudingen er waren. (Nog een keer dat link trucje voor meer informatie over mijn project, want ach als we toch zo narcistisch zijn dat we een weblog zijn begonnen om iedereen te laten weten hoe tof wij zijn kan nog een beetje meer narcisme er ook nog wel bij, dus: http://www.rug.nl/let/onderzoek/onderzoekinstituten/gia/phdprojectBeckerman)

Tja geen lost cities, exotic travel, and digging up the world dus. Meestal ook geen scheppen en veld kleren. Eigenlijk zien we eruit als zwaar verouderde, gerokte en gejurkte, brugklassers met enorme boekentassen op zoek naar de X…

vrijdag 22 januari 2010

Proefschrift-ontwijkend-gedrag (POG)

Zelfverheerlijking op vrijdagmiddag, kan het beter? Sandra, we ro(c)k indeed, nogal duidelijk. Of, om (mannelijke) collega S. te citeren: wij schoppen kont! Die Paul Bahn, die heeft het zo gek nog niet verwoord. En dat voor een ‘freelance writer, translator and broadcaster on archaeology’ (achterflap Archaeology, the key concepts). Beter dan zijn vaste vriend Sir Colin Renfrew, die niet alleen Fellow of the McDonald(s) Institute for Archaeological Research (daar zijn ze weer, die gouden bogen) is, maar ook Emeritus Disney Professor. In mijn hoofd geef je dan al je colleges verplicht met van die gezellige Mickey Mouse-oren op.




Om het hier toch een beetje knus te houden op de vrijdagmiddag de volgende quizvraag in de serie ‘Herken Het Geluid’:



Klik-klik, klik-klik, klik-klik, klik-‘kut, niet goed’-klik, klik-klik



Is dit



a) Geertje die aan haar database van Hongaarse botlengtes werkt

b) Inger die Mahjong speelt ter afleiding van het schrijven van een hoofdstuk over zeefresiduen uit Almere

c) Studente E. die een aantal Laat-Paleolithische vuurstenen uit Zeijen op de grond laat vallen



(antwoord onder aan deze blog)



Momenteel wordt er weinig gewetenschapt. Sandra schreef net een coole blog, Sarah is nog niet hier gesignaleerd en Geertje en ik houden ons bezig met de outfits voor de onvermijdelijke Meisjes Met Scheppen Fotoshoot Met Scheppen. We willen korte rokjes en killer heels, dus nog even wachten. Niet dat we niet tegen de kou kunnen, of watjes zijn. Maar toch. Vandaag nog even niet. Daarom, als genoegdoening, een andere visuele versnapering. De koningin van alle meisjes, archeologie of anderszins: Barbie!


Barbie & de Reuvensdagen from KGvisuals on Vimeo.
 
(antwoord op de quizvraag is natuurlijk b. Hoewel alle drie opties realistisch zijn)

WE RO(C)K!

O o een uitnodiging voor een weblog. Vrijdagmiddag, dus bijna alles wordt aangegrepen als proefschrift-ontwijkend-gedrag (lekke band, iemand?) maar een blog schrijven op je werk over je werk om je werk te ontwijken; toch een beetje vreemd. En het onderwerp; vier meisjes met rok en schep op een manneninstituut.

En wat doen wij promoverende niet volwassen willen wordende meisjes met scheppen rokken en jurkjes nou eigenlijk? Archeologie? Die wetenschap bekend geworden door Indiana Jones? Zijn wij a-typische types daar dan beter in, of zijn we interessanter dan die man met hoed en paard en goud? Die wetenschap waarvoor je volgens een wijs man (o jee mag dat wel, een man aanroepen) over de volgende kwaliteiten moest bezitten:

"It takes very special qualities to devote ones life to problems with no attainable solutions and to poking around in dead people's garbage: words like 'masochistic', 'nosy' and 'completaly batty' spring to mind." Paul Bahn, 1989. Bluff your way into archaeology.

Laten we wel wezen, hier zijn wij inderdaad gewoon het beste in:
  • Heel speciaal, kijk dat zijn we, toch mama?
  • Problemen opzoeken die je vervolgens niet kunt oplossen. Ook dat kunnen wij meisjes als geen ander. Jammer dat pruilen niet werkt op archeologica maar toch
  • Niets leukers dan heel veel spulletjes verzamelen
  • 'Nosy', heel erg nieuwsgierig (Van Dale zegt bemoeiziek maar wat weet die er nou van) dat zijn we
  • 'Batty' en ja een beetje excentriek is het natuurlijk wel
  • en 'masochistic', ach we hebben gewoon een hoge pijgrens.

Kijk daar kan geen man tegenop! We Ro(c)k!

Met dank aan JJ...

Meisjes Met Scheppen. Ze bestaan. Of, beter gezegd, WE bestaan. Kijk, Geertje, we hebben virtuele Lebensraum. Hoe Het Zo Kwam. En Waarom.


Het begon met een e-mailwisseling waarin de vraag om aanvullende informatie werd gesteld aangaande promoverende archeologievrouwen. Die zijn er, welzeker, best veel! Hier in Groningen, waar wij onze bijdrage aan de wondere wereld van wetenschap proberen te leveren, zijn we met z'n vieren. Of moet ik zeggen haar vieren? Vier meisjes in een manneninstituut. Goed, er zijn wel andere vrouwen aan het werk in het instituut, maar wij zijn de enige die voldoen aan de omschrijving meisjes, want onder de 30, en niet van plan snel op te groeien. Meisjes Met Scheppen, dus. Of, om van het hele hoofdlettergebeuren af te zijn: meisjes met scheppen. Echte meisjes zijn we, met jurken en rokjes en lang haar. Om voor eens en voor altijd van het vooroordeel over archeologievrouwen af te zijn: we dragen buiten het veld voornamelijk leuke meisjeskleren. En die klei en veen wassen we ook netjes van onze handen en voorhoofden voordat we weer naar binnen gaan. Die veldkleren, die zijn nu eenmaal praktisch. En hoewel ik al jaren mijmer over de stilettohak-guts en C14-dateringblokhak, blijven stoere schoenen en rubberlaarzen het meest passende schoeisel voor opgravende grieten.

Later meer, lijkt me. Nu eerst wetenschappen. Ave.
Inger